Raken aan de eeuwigheid

Onze bas Lex Hustinx over het zingen bij het Uitvaartensemble Nijmegen

In 2012 – het Uitvaartensemble Nijmegen is dan in oprichting – word ik benaderd om mee te zingen. Het ensemble heeft als ideaal om bij uitvaarten troost te bieden aan nabestaanden, met zang van hoge kwaliteit. Een nieuw koor vormen met dit ideaal spreekt mij aan. Hartstochtelijk wordt er gerepeteerd en zoeken we uit hoe we ons kunnen profileren. Eerst onder de bezielende leiding van Anca Veldpaus. Later volgen Hans Meek als eerste en Bram Wildeman als tweede dirigent. Met elkaar bouwen we aan een ruim en divers repertoire en geleidelijk groeien we in samenhang en klankkleur.

Raken aan de eeuwigheid
Ik kan alleen maar zeggen dat het voor mij een geluk is in dit ensemble mee te mogen zingen. Soms ervaar ik met het uitvaartkoor het gevoel te ‘raken aan de eeuwigheid’. Je mérkt tijdens uitvaarten dat zingenderwijs met de nabestaanden een bijzondere verbondenheid groeit in het gedenken van de overledene. Dat is geen automatisme. Je hóópt telkens weer dat onze zang ruimte schept voor gevoelens van verdriet, gemis, of dankbaarheid. ‘Daar doen we het voor’, zeg je dan bij jezelf als dat gebeurt. Het is géén effectbejag, we willen vooral dienen. Als koor zijn we steeds oprecht verheugd wanneer we van familie of andere aanwezigen horen dat de muziek hen geraakt heeft. Dit maakt, samen met het plezier dat we tijdens onze veertiendaagse repetities en bij onze concerten beleven, dat ik het meezingen in het Uitvaartensemble Nijmegen als een waar voorrecht ervaar.

Twaalfjarig jongetje
Het gevoel te raken aan de eeuwigheid ervaar ik voor het eerst als twaalfjarig jongetje. Ik maak als gymnasiast deel uit van de ‘kleine schola’ van het Sint-Bernardinuscollege, een grote middelbare school van de paters Franciscanen in Heerlen. Elke zondagmorgen om half negen luistert dit koortje van jongenssopranen de mis op met serene gregoriaanse zang. Dat doen we in de kloosterkapel onder leiding van pater Vermeulen. Na een paar jaar zingen in de schola van het Sint-Bernardinuscollege doet de puberteit haar intrede. Dan is het is gedaan met mijn sopraanstem en verlaat ik het koor. Thuis blijf ik wel zingen. Op familieavondjes kruip ik regelmatig achter de piano om het ‘familiekoor’ te begeleiden. En bij de afwas zingen we met ons grote gezin uit volle borst afwasliedjes. Diezelfde tijd beleef ik voor het eerst live de Mattheuspassie van Johann Sebastian Bach, en eindig ik, puber of niet, mét het slotkoor in tranen.

Geen tijd meer voor zang
In mijn studentenjaren en lang daarna is er geen tijd meer voor zang. Ik werk dan voor de Hogeschool voor Theologie en Pastoraat in Heerlen. Daar worden jonge mensen opgeleid tot priester, pastoraal werker of werkster. Hier wordt dagelijks liturgie gevierd. En in en vanuit de kapel klinkt gregoriaanse en meerstemmige zang van het studentenkoor van Leo Meulenberg, veelal in de traditie van de oecumenische kloostergemeenschap in het Franse Taizé. Ook al zing ik zelf niet mee, zang is voor mij nooit ver weg.

Vanaf mijn 50ste weer actief
Rond mijn 50e levensjaar ga ik weer zelf zingen. Bij een klein kamerkoor ervaar ik het pure zangplezier. In het schildersatelier van een van de zangers komen we op vrijdagavond bij elkaar en zingen elkaar toe met klassieke koormuziek. We beklinken het met een goed glas wijn. Dat smaakt naar méér! Wanneer ik voor mijn werk naar Nijmegen verhuis in 2002 vind ik al snel mijn weg naar het Nijmeegse kamerkoor Sotto Voce. Daar bouw ik in twaalf jaar een mooie ervaring op in oude en modern-klassieke zang, met regelmatige optredens in of rond Nijmegen. Ik treed in deze periode ook toe tot de cantorij van de Stevenskerk, waar ik nu nog steeds actief ben.

Vrolijke musici
Dankzij enkele zangers van de cantorij van de Stevenskerk krijg ik mijn entree bij het Uitvaartensemble Nijmegen. Via het uitvaartensemble ben ik actief geraakt in het landelijke projectkoor Luna in Utrecht. Daarin leggen zangers uit alle windstreken zich toe op zangkunst op hoog amateurniveau. Genoeg te zingen dus. Ik ben intussen 72 maar hoop – zeker bij het Uitvaartensemble Nijmegen – nog een hele tijd ‘van de partij’ te mogen zijn. We leven in een broeierige tijd, maar zoals de canon luidt die ik op de lagere school heb geleerd: ‘Hemel en aarde zullen vergaan, vrolijke musici blijven bestaan!’.

Gerard Broess: onze nestor

Eens in de zoveel tijd laten we een koorlid aan het woord. Dit keer is Gerard Broess aan de beurt. Hij is tenor en inmiddels het oudste koorlid. Van alle koorleden is hij het meest vertrouwd met het gregoriaans. Het koor doet regelmatig een beroep op hem bij het instuderen daarvan. In dit bericht vertelt Gerard over zijn liefde voor het gregoriaans.

Staand zingen op een knielbank
Ruim 75 jaar geleden werd ik, Gerard Broess lid van een jongenskoor. Jacques Gielen, hoofdonderwijzer mijn lagere school, leidde dat koor. Elke schooldag werd er tussen de middag een half uur gerepeteerd onder zijn bezielende leiding. Het repertoire was veelzijdig. Er werd veel aandacht besteed aan het gregoriaans. Samen met het mannenkoor luisterden wij de destijds veel voorkomende katholieke feestdagen op. Van lieverlee mocht ik in de kerk staand op een knielbank solo een gregoriaans lied zingen. Rorate Ceali was mijn lievelingslied, vooral het couplet Consolamini.

Het gregoriaans werd dagelijkse kost
Langzamerhand werd voor mij de wereld groter. Ik wilde cowboy worden. Mijn heeroom overtuigde mij er echter van dat dat beroep op uitsterven stond en alleen nog in films en boeken voor kwam. Misschien was missionaris een goed alternatief? En zo kwam ik op het seminarie. Ik werd cantor samen met nog vijf medestudenten en maakte kennis met Floris van de Putt, in katholieke kringen een zeer gewaarde dirigent en componist. Floris wijdde ons dagelijks in het zingen van vooral gregoriaanse liederen in. We leerden dat het gregoriaans niet was gecomponeerd maar noodzakelijkerwijs was ontstaan omdat de menselijke spreekstem niet ver genoeg droeg. Floris kon niet genoeg benadrukken dat het zingen van de tekst toentertijd de oplossing was om het geloof aan een groot aantal bijeen gestroomde mensen te verkondigen. De nadruk lag dus op de betekenis van de tekst, niet op de muziek. ‘Weet wat je zingt’ was Floris’ adagium.

Als één stem
De liederen moesten ook klinken alsof het door één stem gezongen werd. Ik hoor Floris nog de solisten onder ons vermanend toespreken: “Ik wil jou niet horen, maar ons”. Soms gaf hij ons de opdracht om een tekst uit missaal of bijbel spontaan zingend te verkondigen. Dat maakt dat ik nog altijd de gewoonte heb om bij het lezen van een mij aansprekend gedicht de tekst als vanzelfsprekend te declameren en te zingen.

Thuiskomen
Rond mijn zeventiende jaar sloeg de twijfel omtrent geloofszaken toe. Ik verliet het seminarie en rondde mijn middelbare schooltijd samen met vrouwelijke klasgenoten af. Na een ‘stille’ periode van 25 jaar ben ik weer in koorverband gregoriaans gaan zingen. Het voelde als thuiskomen. Toen het Uitvaartensemble Nijmegen gevraagd werd om gregoriaanse liederen te zingen, heb ik mijzelf opgeworpen om het koor daarbij te begeleiden.

Klare taal
Het gregoriaans past in de kerkelijke traditie van afscheid nemen van de overledene. Hoe moet de overledene anders worden toegewenst dat de engelen hem of haar begeleiden naar het paradijs? En hoe kun je anders worden overtuigd met het Ego sum resurrectio et vita: “Ik ben de verrijzenis en het leven; wie in mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven. Iedereen die leeft en in mij gelooft zal in eeuwigheid niet sterven.” Zo, dat is klare taal en die zing ik graag.

Mannen en vrouwen
Overigens zingen bij het Uitvaartensemble Nijmegen de vrouwen en mannen samen gregoriaans. Vroeger was dat ondenkbaar en mocht het gregoriaans alleen door mannen gezongen worden. Dat paste toen in de sfeer van algehele achterstelling van vrouwen in de katholieke kerk. Gelukkig is dat nu achterhaald.